21. Tanden knersen

Doch Ik zeg u, dat velen zullen komen van oosten en westen, en zullen met Abraham en Izak en Jakob aanzitten in het Koninkrijk der hemelen; en de kinderen des Koninkrijks zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis;
aldaar zal wening zijn en knersing der tanden.
Mattheüs 8:11-12

Je hebt niet hard genoeg gewerkt voor je examen en je zakt. Je zit in zak en as en je tanden knersen over elkaar. ‘Had ik maar beter mijn best gedaan.’ Of denk aan de auto die je totalloss rijdt omdat je te hard ging. Je hebt spijt als haren op je hoofd. Erger wordt het als je jezelf het ziekenhuis inrijdt of in een rolstoel terechtkomt. Wat een wroeging heb je er dan van. En toch is het niet te vergelijken met hoe je je voelt als je om eigen schuld verloren gaat.
Op een keer zullen we voor God staan en geoordeeld worden. Stel je voor dat het dan niet goed is, omdat er niets is veranderd in ons leven. Er zal zijn wening en knersing van tanden. Dat heb je ervan. Zeven keer vinden we deze uitdrukking in het Nieuwe Testament. Mogen we dat overslaan? Zijn we nog geloofwaardig en bijbelgetrouw als we onze ogen daarvoor dichtdoen, omdat we ons er zo belabberd door voelen, of omdat het niet meer te ‘verkopen’ is?

Uitgeworpen
Jezus had met de Joden gesproken over Abraham. Die kenden ze natuurlijk wel. Maar ze hadden nog nooit gehoord dat er met Abraham, Izak en Jakob heidenen aan tafel zouden zitten en dat vele kinderen van het koninkrijk buitengeworpen zouden worden. Deze kinderen van het koninkrijk waren heel dicht bij de waarheid, dicht bij de verlossing en het hemelleven en zouden toch niet binnengelaten worden. Verbaasd zullen ze zich afvragen: waarom niet. De reden is echter duidelijk: ze leken niet in het minst op Abraham! Abraham verlangde om Jezus te zien. Abraham heeft Jezus gezien en mag daarom eeuwig bij Hem zijn. Deze Zaligmaker betekende echter niet veel voor deze kinderen van het koninkrijk en daarom worden ze uitgeworpen. Uitgeworpen. Moet je eens indenken. Je wordt niet beleefd gevraagd om weg te gaan, maar je wordt uitgeworpen. Buitengeworpen door God, buitengeworpen door de engelen. Adam werd het paradijs uitgezet. Dat viel ook niet mee, maar voor hem was er nog een oplossing. Als je echter niet bereid bent bij je dood, is er geen mogelijkheid meer om ooit nog verlost te worden en moet je altijd onder Gods vloek blijven liggen. Daar zal je spijt van hebben, tandenknersende spijt. Je zult beseffen dat het anders had gekund. En niet alleen dat. Je bent boos op jezelf, ontevreden met alles, en het niet eens met God. O, je kunt dan niet buigen onder God, geen goede gedachten hebben van God. Knersen van tanden wijst ook op scherpe pijn.

Geen berouw
Nee het is geen berouw. Je huilt, maar de tranen zijn niet de tranen van Gods kinderen. De tranen in de hel zijn een uiting van verloren te zijn, van ontroostbare, nooit eindigende wroeging, van nooit geen hoop meer te kunnen hebben. Er zit geen zoetheid in deze tranen, niet een stil achter God aan wenen. Het zijn geen tranen van verdriet omdat je tegen zo’n goeddoende God hebt gezondigd. Het zijn geen tranen van blijdschap, van hoop, van verwondering. Niets van dat alles. Het is wanhoop. ‘O, had ik maar, had ik maar.’ En er is niemand die je bemoedigt, niemand die je troost of je tranen afveegt. Iedereen laat je in de steek en aan het gezelschap van de verdoemden heb je niets.

De schrik des Heeren
Als Gods Woord het niet over de hel zou hebben, zouden wij er ook over moeten zwijgen. Maar het is juist Jezus Die het het meest over de rampzaligheid heeft gehad. Niet dat je uit vrees God zou willen dienen. Dat niet. Het zou ook de verkeerde motivatie zijn. Maar hopelijk schokt het mensen wakker om te gaan zoeken wat wel aantrekkelijk is. Daarom had Paulus het ook over een ‘schrik’. Deze apostel wist dat hij rekenschap zou moeten geven van elk gesproken woord. Hij zag zich soms in gedachten al staan voor de rechterstoel van Christus. En stel je voor dat hij niet eerlijk gewaarschuwd en hartelijk genodigd had! Die gedachten verontrustten hem en omdat hij de schrik des Heeren wist, wilde hij mensen tot geloof bewegen.

Wij dan, wetende de schrik des Heeren, bewegen de mensen tot het geloof, en zijn Gode openbaar geworden; doch ik hoop ook in uw consciënties geopenbaard te zijn (2 Korinthe 5:11).

Uit Naar de Hemel van ds. P. van Ruitenburg (Chilliwack, Canada);
Uitgeverij Den Hertog B.V. Houten; 3e druk; ISBN 978 90 331 1971 2.