21. WONDERGELOOF

En Jezus antwoordende, zeide: Zijn niet de tien gereinigd geworden en waar zijn de negen? Zijn er geen gevonden, die wederkeren om God eer te geven, dan deze vreemdeling?
Lukas 17:17,18

Met een oudere ambtsbroeder bezocht ik een vrouw die voor het eerst aan het Heilig Avondmaal had deelgenomen. We waren blij te zien dat de Heere nog werkt en wilden graag horen hoe groot en goed de Heere is. Tijdens het bezoek vertelde ze ons dat ze erg tegen een operatie had opgezien en vurig had gesmeekt om Gods hulp. Ze was dankbaar dat de Heere haar er wonderlijk doorgeholpen had en ze was er zeker van dat Hij haar gebed had gehoord. Ze concludeerde daaruit dat ze een kind van God was, want God hoorde toch niemand anders dan Zijn kinderen. Het was die conclusie die ons bezorgd maakte.
Wie zou durven ontkennen dat de Heere haar had verhoord? Ze had geloofd in Gods goedheid en almacht. Maar had ze begrepen wat zonde en genade is? Had ze Christus ook nodig voor haar schuld? Ze wist niet goed wat ze moest antwoorden en het valt ook niet mee om over die dingen openlijk te spreken. Misschien sloeg ze wel dicht toen we vroegen of er niet meer was dat haar aan God had verbonden.

EEN WONDERGELOOF
Tien melaatsen stonden van verre te roepen en durfden niet dichterbij te komen omdat ze onrein waren. Maar toch riepen ze naar Christus om hulp. Er scheen iets in hun hart te zijn dat het onmogelijke mogelijk achtte. Toen de Heere hen vroeg zich zonder meer om te keren en zich aan de priester te tonen, deden ze dat onmiddellijk. Ze waren ervan overtuigd dat deze Messias hen kon beter maken zonder ze aan te raken. Ze vertrouwden in Christus’ woord en keerden zich met hun nog zieke lichamen om en waren onmiddellijk genezen.
Is dat geen oprecht geloof? O ja, een geloof dat Jezus een wonder kon doen, kan heel oprecht zijn. Er waren er meer die oprecht geloofden dat Jezus door God gezonden was, dat Hij het onmogelijke kon doen en hen vast van de Romeinen zou verlossen. De tien waren tot de Zaligmaker gekomen in grote nood maar ook met een vast vertrouwen dat Hij kon genezen. En nu kunnen ze terug naar hun gezin en dorp. Ze kunnen wel huppelen van blijdschap. Het was een oprecht wondergeloof.
Negen van de tien zien we echter niet meer terug. Negen gaan op in wat ze hebben ontvangen. Ze zijn heel blij met hun genezing, maar alleen de Samaritaan komt God de eer geven.

NIETS VERKEERD MEE
Er is niets verkeerd met wondergeloof en het kan zelfs gepaard gaan met een zaligmakend geloof. Toch is wondergeloof – hoe oprecht ook – geen hand die Christus ontvangt als Borg. Wondergeloof ontvangt de gave, niet de Gever. Het verblijdt zich in Gods hulp maar niet in vergeving. Het komt in vertrouwen dat God geneest, niet dat Hij wast van mijn zonden. Sommigen noemen wondergeloof een ‘zaad van geloof ’, een klein stukje, een klein begin. Ik vind het best om het zo te noemen als we maar onthouden dat we meer nodig hebben. Niet dat er iets verkeerd is met een wondergeloof, je kunt er alleen niet mee sterven.
Als er alleen maar wondergeloof is, missen we het verbroken hart en de verslagen geest. Wondergeloof denkt niet aan de grote schuld die vergeven moet worden. Helaas zijn er velen die geloofden in het wonder en door God zijn verhoord, maar toch verloren zijn gegaan. Sterker: sommigen hebben zelf wonderen gedaan en waren toch niet met het hele hart verbonden met Christus. Denk aan Judas. Ook dat noemen we wondergeloof.
Judas geloofde dat hij het in Gods kracht kon doen. Ook daar is niets mis mee.

VERDRIETIG
Christus moet groot verdriet hebben gehad dat negen van de tien melaatsen niet terugkeerden. Waar zijn de negen? Waarom liggen ze niet aan Zijn voeten, waarom gaat het hen niet om de Gever en waarom komen ze niet om genade en vergeving? ‘En Jezus antwoordende, zeide: Zijn niet de tien gereinigd geworden? En waar zijn de negen? Zijn er geen gevonden, die wederkeren om God eer te geven, dan deze vreemdeling?’ (Luk. 17:17, 18).
Het is heel verdrietig als er niet meer is dan wondergeloof. We nemen Gods gave gretig aan en keren Hem vervolgens de rug toe. Het is als met een klein kind dat opgaat in zijn verjaardagcadeautjes en vergeet te bedanken. Het is vergelijkbaar met iemand die een man trouwt om het geld dat hij heeft en niet om hem zelf. Dat is verdrietig.

Uit Echt geloven van ds. P. van Ruitenburg (Chilliwack, Canada);
Uitgeverij Den Hertog B.V. Houten; 5e druk; ISBN 978 90 331 1864 7.