21. De Heere zegene u

Ten zelven tijde scheidde de Heere de stam van Levi uit, (...) om in Zijn Naam te zegenen, tot op deze dag.
Deuteronomium 10:8

Hoe gaan we na de dienst uit elkaar? Met een simpel ‘tot de volgende keer’? Nee, er wordt in navolging van de oudtestamentische eredienst een zegen op de gemeente gelegd. Aan het einde van de oudtestamentische eredienst liet de priester de gemeente gaan met de Aäronitische zegen. We kennen de geschiedenis van Zacharias die letterlijk met stomheid was geslagen en dientengevolge de zegen niet kon uitspreken. Het volk verwachtte dat hij aan het eind van de dienst de zegen op hen zou ‘leggen’. Hij kon echter geen woord uitbrengen. De woorden die Zacharias had moeten uitspreken, vinden we in Numeri 6:24-26: ‘De Heere zegene u, en behoede u; de Heere doe Zijn aangezicht over u lichten, en zij u genadig; de Heere verheffe Zijn aangezicht over u en geve u vrede!’

Voor de gelovige Israëliet had die afsluitende zegen waarde. Het was een belofte van God. De Heere verzekerde hen er in deze zegen van dat Hij Zijn aangezicht over hen zou doen ‘lichten’. Dat te horen aan het einde van de dienst deed de oprechte ‘kerkganger’ goed. Wie het verstond, werd erdoor bemoedigd. Na de dienst bijgewoond te hebben, moest men immers het aardse leven weer in. Een leven dat geen paradijs meer was, maar vol van de gevolgen der zonde. Het jachtige leven met zijn vele kruisen dat geen vervulling geeft. Het was dan ook een ware zegen om te mogen geloven dat de Heere er voor hen wilde zijn.

Lichtend aangezicht
Het zou meer dan verdiend zijn als de heilige God hen donker zou aankijken en eeuwig vertoornd op hen was. Wie God kent en zichzelf in het ware licht ziet, moet vrezen dat de Almachtige ons nooit meer vriendelijk kan aankijken, maar Zijn volle toorn op ons legt. En dan te horen dat God Zijn aangezicht over ons doet lichten, met andere woorden, dat God belooft niet donker maar licht – dat is vriendelijk – naar de zondaar te kijken. Geen wonder dat de oudtestamentische gelovige wat moois hoorde in deze zegen. Wie wil het leven door zonder vriendschap? Een kind dat lacht, een knik, een groet, een vriendelijk woord of bezoek maakt al blij. Maar ook een luisterend oor kan iemand opluchten. En toch, dit alles valt in het niet bij de vriendschap Gods. Wat arm als we graag willen dat mensen vriendelijk tegen ons zijn en het ons niet uitmaakt of God Zijn aangezicht in Christus over ons doet lichten. Ja, in Christus. Omdat God op Christus getoornd heeft, kan God zondaren genadig zijn.

Barmhartig en genadig is de Heere, lankmoedig en groot van goedertierenheid (Psalm 103:8)

Aangezicht verheffen
De Heere beloofde in de Aäronitische zegen ook Zijn aangezicht te ‘verheffen’. Dat is een typisch Hebreeuwse uitdrukking. Zo zeggen wij het niet meer. Maar het is wel mooie beeldspraak. Wie zijn aangezicht verheft, kijkt niet meer naar beneden, maar kijkt op. We denken even aan mensen die ons niet aan willen kijken, ons geen blik waardig keuren. Men kijkt de andere kant op, of men staart naar de grond. Men doet of we niet bestaan en zoekt geen contact. Iedereen kent het gevoel wel als men ons links laat liggen. De Heere wil Zijn aangezicht over mensen verheffen. Hij wil ons nog zien. Uiteraard zou God ons volkomen mogen vergeten. Maar nee. De Heere zoekt onze ogen en reikt ons de genadescepter toe. Wat een wonder dat God naar zondaren wil omkijken. Met name naar hen die Hem zoeken. En wat een zegen als we aan het einde van de dienst de zegen mogen meedragen, wetend dat de ogen Gods op ons gericht zijn.

Ik zal u onderwijzen, en u leren van de weg die gij gaan zult; Ik zal raad geven, Mijn oog zal op u zijn (Psalm 32:8).

Vrede
Vrede is zeldzaam. Vrede met ons leven, vrede met elkaar, met onze kruisen, vooral vrede met God. God, en niemand anders, kan echte vrede geven. Ook in de zin van levensvervulling. Door Woord en Geest worden de ogen van Gods kinderen getrokken naar het Lam Dat de zonde der wereld wegneemt. Hij is onze vrede, zegt Paulus in Efeze 2:14. Wat heerlijk om met de belofte van Gods vrede naar huis te mogen gaan. De Heere wil vooral tijdens de kerkdienst aanwezig zijn, maar Hij wil ook met ons mee het dagelijks leven in. God geve dat we die vrede nergens anders dan in Jezus Christus zoeken. Dan is het pas sjaloom.

De priester geeft de zegen niet
Het zal duidelijk zijn dat de priester zelf geen macht had om te zegenen. Laten we niet denken dat de priesters buitengewone mensen waren geworden en dat de zegen van hen afhankelijk zou kunnen zijn. De Heere zegent! De priester mocht die alleen maar uitspreken. De zegen was ook geen mooie wens van de priester en zelfs niet alleen maar een gebed. Het is een belofte van de levende God voor Zijn gemeente, waarvan de ware gelovigen de kern vormen. Wel is men er allang vanuit gegaan dat het uitspreken van de zegen de verantwoordelijkheid is van de dienaar des Woords. De zegen is feitelijk belofteprediking en Christus spreekt door Zijn geroepen dienaar. Soms wordt er een andere zegen uitgesproken. De zogenaamde Paulinische zegen uit 2 Korinthe 13:13. Dat is niet verkeerd, maar het lijkt mij bijbelser om dezelfde zegen uit te spreken als de priesters in het Oude Testament.

En in wat huis gij zult ingaan, zegt eerst: Vrede zij dezen huize. En indien aldaar een zoon des vredes is, zo zal uw vrede op hem rusten; maar indien niet, zo zal uw vrede tot u wederkeren (Lukas 10:5, 6)

Uit Naar de Kerk van ds. P. van Ruitenburg (Chilliwack, Canada);
Uitgeverij Den Hertog B.V. Houten; 1e druk; ISBN 978 90 331 2112 8.